STEEDS EEN EIGENTIJDSE TECHNISCHE OPLEIDING

 

terugblik op een eeuw MTS/HTS Vondellaan

 

Frida de Jong

 

 

In september 1910 ging in Utrecht een middelbare technische school (mts) van start in een indrukwekkend modern schoolgebouw. De opleiding kreeg later het predicaat hogere technische school (hts) en werd uiteindelijk in twee fusieronden onderdeel van de Hogeschool Utrecht. Bij de feestelijke herdenking in 2010 werd teruggeblikt op dit oudste onderdeel van de HU.

 

 

DE MTS/HTS VONDELLAAN

De in 1895 opgerichte Nederlandse Aannemers Bond (NAB) had rond de eeuwwisseling een toenemende behoefte aan technisch onderlegde opzichters en tekenaars. Gemeenten en spoorwegenmaatschappijen, zowel in Nederland als ook in de koloniën, lieten grote infrastructurele werken uitvoeren en de aannemers hadden daarbij mensen nodig die deze met bouwkundige kennis konden uitvoeren en controleren. In dezelfde tijd speelde ook de landelijke overheid met de gedachte om als vervolg op het toenemend aantal ambachtsscholen te komen tot een middelbare opleiding op technisch gebied. Het Koninklijk Instituut van Ingenieurs en de Maatschappij van Nijverheid mengden zich in deze discussie. De gedachte ging in eerste instantie uit naar één instituut met internaat te Haarlem, maar dit plan vond weinig bijval. Na de val van het kabinet-Kuyper in 1905 namen lokale particulieren in Amsterdam, Dordrecht en Rotterdam het heft in eigen hand om in aansluiting op de bestaande ambachtsscholen een middelbare opleiding te starten. Geheel op eigen kracht besloot de NAB een reeds in 1903 aan Kuyper geadviseerde mts voor bouwkunde te gaan realiseren. In 1908 kwam hiervoor een legaat van ruim 10.000 gulden vrij. Na een financieel zeer geslaagde lobby bij landelijke, provinciale en lokale overheid, kon in Utrecht aan de Croeselaan (later omgedoopt in Vondellaan) begonnen worden met de bouw van een prestigieus eigen schoolgebouw. De architect Dwars werd tevens de eerste directeur.

 

Het Utrechtsch Nieuwsblad schreef bij de opening dat het gebouw getuigde van ‘de kracht welke van de Nederlandse Middenstand uitgaat’. De uitstraling begon al bij het brede granieten bordes en werd voortgezet in een imponerende hal met witte betegeling, terrazzo vloer en een indrukwekkende trap. Het licht kwam er onder andere binnen via een glas-en- lood raam met de wapens van Nederland, Amsterdam en Utrecht. Beneden was een ‘keurige wachtkamer’ met toegang naar een ‘met smaak en kunstzin’ ingerichte directiekamer. Boven was ‘een vergaderzaal voor het bestuur vol gesneden teakhout en een massieve schouw’. Men leefde in een standenmaatschappij en zoiets kwam in het gebouw ook duidelijk tot uiting. Voor docenten was er een gezellige docentenkamer. De heren studenten konden hun boterham gebruiken in een kantine en voor hun fietsen was er een loods of remise. Die fietsen speelden zo hun eigen niet geringe rol bij de verspreiding van dit soort onderwijs. Het gebouw was voorzien van centrale verwarming en elektriciteit, op zich ook hoogst modern en high-tech voor die tijd. De collegezalen liepen op als in een theater. In de kelder bevond zich een zaal voor cementproeven. Van groot belang voor de toen nieuwe techniek van gewapend beton.

 

Het zo juichende artikel besloot met de fraaie zinsnede: ‘Dit gebouw is een levensgedenkstuk van de prestatie van de ontwerper, de trots van de middenstand, een sieraad voor de grijze bisschopstad. Moge het voor de Spes Patriae een tempel worden waarvan de vrucht des geesten in grote overvloed genoten kan worden.’ Bij de opening stak J.N. Hendrix als voorzitter van de aannemersbond de directeur als volgt een hart onder de riem: ‘Gij zult door aan uw land te geven een keurcorps van kranige en ontwikkelde jonge mannen, die zich niet hebben geschaamd het gereedschap ter hand te nemen alvorens onder uw leiding de lessen der theorie te bestuderen, het ambacht de eereplaats hergeven die het al zo lang is ontnomen en daardoor den blijvende dank verdienen van allen die in zich de overtuiging gevoelen, dat eerlijk ambacht nimmer vernedert, doch steeds verheft.’ Zo stond het er dus anno 1910 voor. Een gebouw als een tempel. Een keurkorps van leerlingen die met ijverige studie het imago van de bouw zouden opvijzelen. Binnen de school heerste orde en tucht. Jarenlang stond in het schoolreglement: ‘van de school zal worden verwijderd hij, die door onbeschaafd optreden of onverschillige houding, een slecht voorbeeld geeft en daardoor een verderfelijk invloed op zijn medeleerlingen en den op de school heerschende geest uitoefent’. Op tijd in het lokaal aanwezig zijn, was geboden. Gesloten spoorwegbomen waren geen excuus. Vijf minuten voor aanvang van de les moest men deze gepasseerd zijn.

 

Het lesprogramma was niet mis; timmeren en tekenen, wiskunde, landmeten/waterpassen, bestekken en materialen, maar ook drie vreemde talen, boekhouden en EHBO. Het aantal leerlingen bij aanvang bedroeg 40, rond 1920 waren er in totaal zo’n 100 leerlingen. Kort voor de tweede wereldoorlog 200, begin jaren vijftig 400, en tenslotte ten tijde van de fusie ruim 600.

De school heeft altijd nauwe aansluiting bij de praktijk gezocht, onder andere met lezingen, stages en excursies. Theorie mocht belangrijk zijn, neerkijken op de praktijk was bepaald not-done. De toelating gebeurde lange tijd op basis van een toelatingsexamen. Al snel werd mulo-b dan wel de drie-jarige hbs-b de meest voorkomende vooropleiding in plaats van de ambachtsschool. Maar aan de andere kant liet men technisch talent niet verloren gaan. Wat bleek uit de voortdurende inspanning om via voorbereidende cursussen, vrijstellingen, schakelklassen etc ook getalenteerde ambachtsschoolkinderen op te nemen. Jongens die een vijf-jarige hbs hadden gevolgd, werden geplaatste in een speciale ‘sterklas’. Differentiatie dus. Ook toen al.

 

Zeker tot 1940 bleef de school een elite school. Nederland was nog sterk een standenmaatschappij. Arbeiderskinderen moesten zo snel mogelijk van school om voor inkomen te zorgen en 100 gulden schoolgeld per jaar was in dit milieu niet op te brengen. Maar er waren altijd uitzonderingen. Zo konden anderen dan de ouders de inschrijving regelen, het bestuur maakte uitzonderingen op het schoolgeld, de gemeente gaf zelfs beurzen. Streng was men ook. Het aantal leerlingen dat zakte voor de (toelatings)examens was aanzienlijk. De school vormde een hechte gemeenschap. Het bestuur bestond uit bobo’s uit de bouw, aangevuld met bouwkundige vertegenwoordigers vanuit de gemeente Utrecht. De periode tot aan de Tweede Wereldoorlog kende slechts twee inspecteurs voor dit nijverheidsonderwijs respectievelijk H.J. de Groot en ir. G. Hofstede. Zij kenden school en praktijk door en door en hadden dan ook grote invloed. P. Lijdsman was directeur van 1917 tot 1946. Hij kende zijn leerlingen inclusief hun thuissituatie. Niet zelden hielp de school zijn leerlingen aan een passende baan. Docenten bleven over het algemeen ook lang aan de school verbonden. Tot ver in de jaren zeventig ging het er bijzonder schools aan toe. Al waren er heel wat buitenschoolse activiteiten om dit enigszins te compenseren. De reeds in 1913 opgerichte Utrechtse Technische Vereeniging (UTV) zorgde voor vertier, sport, lezingen en excursies. Ongeveer naar het voorbeeld van studentenverenigingen aan universiteit.

 

In economisch gunstige tijden stroomden de vacatures automatisch bij de school binnen. De loopbaan van oud leerlingen werd altijd nauwgezet geadministreerd. Nog steeds is er een prachtig bijgehouden archief. Kortom de MTS-Vondellaan was een wereld van ‘ons kent ons’. In 1919 was er nog even sprake van om de mts uit te breiden met een afdeling werktuigbouw en een afdeling elektrotechniek. Dit plan ging echter niet door. Het bleef dus de ‘mts van de aannemers’ met twee afdelingen, dat wil zeggen bouwkunde enerzijds en weg- en waterbouw anderzijds. Pas ruim na de oorlog kwamen daar landmeten als specialisatie bij.

 

 

DE GROEI VAN HET MTO/HTO IN NEDERLAND

Het kabinet Kuyper was er rond 1905 druk mee bezig. Er moest een technische opleiding komen voor ‘tusschenlieden’ als vervolg op de vele ambachtsscholen die in die tijd opgericht werden. Toen dat plan niet echt vlotte en de regering viel, namen particulieren het initiatief om bestaande opleidingen om te zetten dan wel uit te bereiden tot scholen voor middelbaar technisch onderwijs, zogenaamde mts-en. Dit gebeurde als eerste in Amsterdam, Rotterdam en Dordrecht met opleidingen op het gebied van werktuigbouw, scheepsbouw en elektrotechniek. Tussen 1910 en 1914 zien we een eerste golf van mts-en onder anderen ook in Den Haag en Leeuwarden. Utrecht was daarbinnen uniek in die zin dat het een totaal nieuwe opleiding was met een eigen schoolgebouw en gericht op functies in de bouwsector.

 

De Nijverheidsonderwijswet van 1919 veroorzaakte een tweede golf van mts-en, in het kielzog van de optimistische (op)bouwperiode na de Eerste Wereldoorlog. De wet voorzag in een financieel kader (75%) en bevorderde de uniformiteit wat betreft toelating en niveau. Er kwamen scholen in Enschede, Haarlem, Den Bosch, Heerlen en Groningen. Spreiding was een van de doelstellingen en sommige plannen tot oprichting werden afgekeurd. Deze tweede serie mts-en had vaak een wat breder pakket, inclusief een afdeling bouw. In 1921 werd een vereniging van mts-en opgericht met daarin besturen en directeuren. Een vereniging van leraren in het mto bestond al en al snel volgde ook een vereniging van alumni. Dit alles beoogde vooral de opvoering van de professionaliteit. De titelkwestie was een onderdeel van dit streven naar erkenning en profilering. Dit speelde vooral in de relatie met Duitse ingenieurs en afgestudeerden van de Technische Hogeschool in Delft. Het gehele interbellum discussieerde men uitgebreid met de overheid, het bedrijfsleven en de inspecteur over toelatingseisen, inschaling en relatie met de beroepspraktijk. Congressen en enquêtes ondersteunden dit proces. De relatie theorie en praktijk, tekenen versus wiskunde, aan leraren te stellen eisen en de noodzaak van algemene vorming, waren de belangrijkste discussiepunten. In de jaren twintig was de toonzetting daarbij heel wat optimistischer dan in de latere crisisjaren. In 1936 werd de studie overal verlengd tot vier jaar met het integreren van een stagejaar binnen de opleiding. De oorlogsjaren laat ik even buiten beschouwing. Elke school kende daarbij eigen problemen waaronder inkwartiering, schaarste en Arbeitseinsatz.

 

De industrialisatiepolitiek van na de Tweede Wereldoorlog bracht hernieuwde belangstelling voor techniek. Veel nieuwe lts-en zagen het licht, waaronder de meesten op confessionele grondslag. De verzuiling was misschien wat minder, de instituties waren nog sterk verzuild.  Vandaar dat er in de derde golf ook confessionele (katholieke) mts- en kwamen. Kort na de oorlog kwamen er scholen in: Breda, Arnhem, Vlissingen en Venlo. In Utrecht volgde in 1949 de gemeentelijke MTS voor werktuigbouw en elektrotechniek. Begin jaren vijftig waren Zwolle, Tilburg, Hengelo en Apeldoorn aan de beurt. Aan deze serie mts-en was niet altijd een afdeling bouw en/of waterbouw verbonden. In 1957 volgde de verheffing van alle mts- en tot hts. De titel mts ging in 1968 naar wat voorheen de uts, uitgebreid technische school, heette. In 1972 kregen we de enige protestantse hts en wel in Hilversum, in Rijswijk was kort daarvoor nog een katholieke hts gesticht.

 

Naast planning van nieuwe scholen, speelde ook de oprichting van nieuwe –soms modieuze- afstudeerrichtingen. De Vondellaan kreeg in 1954 een afstudeerrichting landmeetkunde. Dat paste nog geheel in de traditie van weg- en waterbouw en ruilverkavelingen. In 1983 kwam er de afstudeerrichting Ruimtelijke Ordening en Planologie. Dat was toch een geheel andere wereld. Vanaf de jaren de jaren zestig verscheen het onderwerp ‘Ruimtelijke Ordening’ prominent op de politieke agenda. Als vak was de planologie opgekomen binnen de universitaire geografie. In de praktijk draaide het om een verzameling van ambtelijke diensten en adviesbureaus rond het nieuwe departement VROM. De betekenis van de letters van dit departement hadden de neiging in de loop der tijd wat te veranderen, maar RO bleef. Het was een dynamisch wereldje met later ook milieu als vast onderdeel. Het opleidingsinstituut ging uiteraard mee met deze nieuwe ontwikkeling. Maar het profiel en de relatie met de praktijk lagen bij deze modieuze richtingen toch aanzienlijk complexer dan in 1910 met de bobo’s uit de aannemerij.

 

HET FUSIEVERHAAL

Alle vroegere hts-en zijn inmiddels ‘verdwenen’, dat wil zeggen opgegaan in grotere hbo-verbanden. Het fusieverhaal begon met de nota ‘Schaalvergroting, Taakverdeling en Concentratie in het Hoger Beroepsonderwijs’ van minister Deetman gericht aan de HBO-raad in september 1983. De bijlage van deze nota gaf een opsomming van het aantal hbo-instellingen; dat waren er maar liefst 341, nog exclusief de 66 pabo’s. Zoiets werd in bestuurlijk opzicht zondermeer als inefficiënt gezien. Denk alleen maar eens aan al die afzonderlijke besturen. Daar moest de bezem door! In een voor die tijd kenmerkend optimistisch jargon predikte de nota de voordelen van schaalvergroting: bevordering van onderwijskwaliteit, doelmatigheid, doorstroom, intellectuele en culturele diversiteit, autonomie, rendement etc. Bezuinigingen werden niet als zodanig genoemd, maar waren tussen de regels door natuurlijk wel aanwezig. Zonder al te veel onderbouwing stelde de nota: scholen met minder dan 600 leerlingen zijn niet levensvatbaar. Dit gold voor 171 van de 341 scholen. Pas bij een omvang van 2500 leerlingen zou er lekker en efficiënt gewerkt kunnen worden. Vandaar dat bij een dergelijke omvang allerlei ‘extra’s’ in het vooruitzicht werden gesteld in de sfeer van studiebegeleiding, kwaliteitszorg, ICT, management en de mogelijkheid tot experimenteren. De nota resulteerde vrij snel in landelijke voorschriften.

 

Die weg sloeg ook de HTS-Vondellaan in. Men had op dat moment net iets meer dan 600 leerlingen maar de verwachting was dat dit aantal zou dalen. Het geschetste perspectief van schaalvergroting leek onomkeerbaar. Heel stapsgewijs - gepland en begeleid- fuseerden in de periode 1984-1987 negen hbo-scholen tot Hogeschool Utrecht. De fusie betrof: de HTS Hilversum; de gemeente HTS Utrecht; de Hogere Nautische Opleiding (gevestigd om de hoek van de Vondellaan aan de Jutphaseweg); de Hogere Landbouwschool; en de Laboratoriumschool in Amersfoort. Tenslotte was er een heao die ‘voor de helft’ meeging, dat wil zeggen de avondopleiding wel, maar de dagopleiding niet. Het proces ging volgens de zeden van die tijd gepaard met heel wat vergaderuren, notities, hearing, actielijsten enzovoort tot aan rechtszaken toe. De HTS-Vondellaan  had het er moeilijk mee. Op historische gronden mat ze zich liever af aan –de nu technische universiteiten- Delft, Eindhoven en Twente. Vanuit de eigen burcht liet men de hectische tijden vol democratiseringsdrang het liefst wat over zich heengaan. Op een heel ander vlak, het technische, speelde er ondertussen een ander soort ingrijpende revolutie: de komst van de computer.

 

Nauwelijks vijf jaar na deze eerste fusie, volgde er een nieuwe. In 1992-1994 fuseerden HU met de Hogeschool Midden Nederland (HMN) en de Hogere School voor Economie en Management (HEM) tot Hogeschool van Utrecht met een Faculteit Natuur en Techniek (FNT). Totaal 23.000 studenten. Deetmans ideeën waren daarmee in sneltreinvaart, binnen een decennium, in de praktijk gebracht. Wat in Utrecht echter achterwege bleef, was een fysieke samenvoeging. Er passeerden serieuze plannen voor ‘unilokatie’ aan de Jutphaseweg dan wel in de Uithof. De praktijk kwam echter uit op een grote spreiding van onderwijsgebouwen, deels in omgebouwde kantoorflats. In 1999 sloot de school aan de Vondellaan haar deuren. Het gebouw staat er nog steeds en is nu een bedrijfsverzamelgebouw. Met het verlaten van de Vondellaan en de verhuizing naar Nijenoord werd de fusie ook daadwerkelijk beleefd als een stap naar grootschaligheid.

 

LESSEN?

Als er één les uit deze geschiedenis te leren valt, dan is dat wel dat je met nostalgisch verheerlijken van het verleden op zich weinig opschiet. Verandering is permanent aanwezig. Veelal opgelegd door algemeen maatschappelijke ontwikkelingen zijn verandering en vernieuwing noodzakelijk voor het voortbestaan. Wel kan het zo z’n nut hebben om veranderingen verstandig te analyseren, los van de waan van de dag, van winstbejag op korte termijn, of van populaire ‘oppimperij’. De complexiteit van onderwijsorganisatie is in de loop der tijd alleen maar toegenomen. Aan alle kanten moet rekening worden gehouden met relaties en de noodzaak van draagvlak. Zoiets kost tijd, energie en geduld. Maar soms moet dat gewoon. Overhaaste besluitvorming met chaos en onzekerheid kan soms wel eens meer energie vergen. Veel maatschappelijke problemen, van persoonlijke als ook van culturele aard, zijn van buiten de school, binnen de school gekomen. Problemen waar ‘techneuten’ niet altijd op zitten te wachten.

 

CONSTANTEN

Naast verandering als gevolg van turbulente tijden, zijn ook constanten waarneembaar. Kern van alle onderwijs blijft de overdracht van kennis tussen mensen. De kunst is, om er voor te zorgen dat die kennis optimaal nuttig is voor leerling en maatschappij. Vakkundig, actueel, liefst toekomstbestendig en passend bij wat de leerling aankan en waarvoor deze gekozen heeft. Dit vraagt van de docenten vakbekwaamheid, maar daarnaast ook communicatie en empathie met de hem/haar toegewezen jongeren. Organisatie en management kunnen veel bijdragen aan de optimalisering van dit proces van kennisoverdracht, maar in wezen staan zij in dienst van dit leerproces.

 

Het aardige van een historische terugblik is dat het laat zien hoe deze mooie idealen voor de aan de Vondellaan gestarte mts wel degelijk iets van eeuwigheidwaarde hebben. Het is natuurlijk wel nodig om de oude officiële toespraken wat af te stoffen. Ook moet men even heenkijken door het formele van officiële stukken en gecanoniseerde geschiedenis. Maar wat je dan ziet, zijn mensen die – in hun tijd en naar vermogen- gewoon hun uiterste best doen, vakkundig werkend naar een mooi en bruikbaar product.

 

HEDEN

Ook vandaag de dag is techniek van groot maatschappelijk belang en wordt er hard gewerkt om het imago van de techniek hoog te houden. Ook al zijn vertrekpunt en doelgroep verschoven. De democratisering van de jaren zeventig heeft een flinke bres geslagen  in de van oorsprong zo hiërarchische verhoudingen. Docenten hebben tegenwoordig een flexplek en een genormeerde taaklast; studenten werken probleemgestuurd en on-line aan hun competenties in multimediaruimten. En toch……ondanks de vele fusie, reorganisaties en naamswijzigingen is het huidig Instituut voor Gebouwde Omgeving (IGO) een groep waarin de vier ‘oude opleidingen’ -bouw, civiel, landmeten en ruimte- als een eenheid bij elkaar zijn gebleven, recentelijk aangevuld met milieu en bouwkundige bedrijfskunde. Men heeft nog steeds een eigen studievereniging, eigen personeelsuitjes, eigen jaarverslagen en een eigen alumniblad. Ook in een moderne setting aan traditie geen gebrek dus, met alle professionele voordelen van dien.

 

 

 

 

 

Literatuur

 

Gedenkboek van den Nederlandschen Aannemersbond ter herdenking van zijn vijf-en-twintig-jarig bestaan 1895-1920. Bussum 1920

 

Schaalvergroting, Taakverdeling en Concentratie in het Hoger Beroepsonderwijs. Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. September 1983

 

Schippers, Hans, van tusschenlieden tot ingenieurs, de geschiedenis van het hoger technisch onderwijs in Nederland. Verloren. Hilversum 1989

 

Utrechtsch Nieuwsblad, 12 september 1910